Nieren en nierfalen

Vrijwel alle dieren worden geboren met twee nieren, waarvan de een links in de buik tegen de rug aanligt en de andere iets meer naar voren, iets meer tussen de ribben, aan de rechterkant tegen de rug aan. De buitenkant van de nieren bestaat voornamelijk uit nierschors. Verder naar binnen ligt het niermerg, het nierbekken en de afvoer van de urine geschiedt door de ureter. De ureter is het buisje van de nieren naar de blaas. Hier zijn er dus twee van, Één voor de linker nier en één voor de rechter nier. Ongeveer een kwart van het bloed dat door de grote lichaamsslagader stroomt, gaat de nieren. Dat geeft al aan hoe belangrijk de nierfunctie voor het lichaam is. Vanuit de nierslagaderen vertakken zich weer kleinere slagadertjes totdat ze bij de glomeruli komen. De glomeruli zijn eigenlijk de “zeef”’-eenheden van de nieren. Hier wordt een gedeelte van het bloed door geperst, waardoor een vloeistof ontstaat die de basis gaat worden van de urine. Deze voorurine wordt opgevangen en door een buizenstelsel gevoerd, die tubuli genoemd worden. In het eerste deel van deze tubuli worden nog veel bruikbare stoffen uit de voorurine teruggehaald. Op deze wijze wordt voorkomen dat er teveel bouwstoffen en belangrijke zouten verloren gaan. In het deel van de tubuli dat door het niermerg loopt wordt de voorurine geconcentreerd. Hier wordt een groot gedeelte van het water uit de voorurine teruggewonnen. Hierna ontstaat de urine, zoals die uitgeplast wordt. Deze urine komt via een stelsel van steeds grotere verzamelbuisjes in het nierbekken terecht. Dit nierbekken is bij gezonde dieren nog steeds erg klein, ongeveer 1-2 mm breed. Vanuit dit nierbekken gaat de urine via de ureteren naar de blaas.

Welke functies hebben de nieren en wat gaat er mis bij nierfalen?

  • Voorkomen van uitdroging
    Bij veel aandoeningen van de nieren worden de tubuli, die normaal gesproken zorgen voor het concentrerend vermogen van de nieren, beschadigd of minder functioneel. Om dit concentrerend vermogen van de nieren te controleren wordt van de urine het soortelijk gewicht bepaald. Hiermee wordt gemeten hoe geconcentreerd de urine is. Deze waarde is ook sterk afhankelijk van vocht het dier heeft opgenomen. Omdat de meeste dieren ’s nachts minder drinken dan overdag, is ochtendurine in het algemeen betrouwbaarder dan de urine die overdag wordt opgenomen. Nog betrouwbaarder is de bepaling en een aantal monsters ochtendurine. De meest geconcentreerde waarde geeft ons dan de beste informatie.

  • Uitscheiden van afvalstoffen
    De glomeruli in de nier hebben een soort zeeffunctie. Afvalstoffen worden via deze zeef uit het bloed geperst en zo in de urine uitgescheiden. Deze afvalstoffen zijn zowel in het bloed als in de urine te bepalen. Meestal wordt echter volstaan met een bepaling in het bloed. De belangrijkste afvalstoffen die in het bloed gemeten worden zijn het creatinine, ureum en anorganisch fosfaat.

Creatinine is een afvalstof uit de stofwisseling van spiereiwitten. Uit de (normale) afbraak van spiereiwitten ontstaat creatinine, dat uit de spieren aan het bloed wordt afgestoten. Dit wordt via de glomeruli uit het bloed geperst en daarna via de urine uitgescheiden. Als er geen sprake is van verhoogde spierafbraak is het gehalte aan creatinine in het bloed een hele goede maat voor de functie van de glomeruli in de nieren. Bij een laag gehalte aan creatinine in het bloed is er meestal een goede zuivering van het bloed en bij een hoog gehalte een slechte zuivering. Als de nierfunctie geleidelijk aan achteruitgaat blijft het creatinine gehalte in het bloed nog erg lang laag. Pas als ongeveer de helft van de nierfunctie verloren is gegaan, begint het creatinine gehalte duidelijk te stijgen. Bij honden komt het creatinine gehalte dan boven de 60+ 1,2 x het lichaamsgewicht μmol/l en bij katten boven de 140 μmol/l. Als de nierfunctie dan nog verder achteruitgaan, gaat het creatinine gehalte wel steeds sneller stijgen. Omdat het creatinine gehalte zo mooi overeen komt met de functie van de glomeruli, wordt het creatinine gehalte ook gebruikt om als basis te dienen voor de indeling van stadia van nierfalen.